Er is nog nooit een baby geweest die leerde kruipen omdat het voor een cijfer was (Ivo Mijland).

Het was op de laatste dag die ik mocht verzorgen als opleider van de studie ‘Contextuele leerlingbegeleiding’ toen ik samen met een aantal studenten met de lift naar de vierde etage van Regardz La Vie vloog, de plek waar wij diverse opleidingen verzorgen voor leraren en begeleiders. In de lift stonden een aantal voor ons onbekende mensen, die kennelijk een andere opleiding volgden. “Wat ben ik blij dat het voorbij is zeg,” verzuchtte de een. Zijn collega-student haakte opvallend snel in. “Eindelijk van die lange dagen af.” Mijn studenten keken me verbaasd aan en kwamen er niet veel later op terug. “Wij vinden het juist vreselijk dat het na dertig dagen voorbij is.” Ik deelde dat gevoel en dacht direct over de vraag: “Wat zijn nou redenen waarom mensen die voor hetzelfde doel naar Utrecht komen (iets leren), zo verschillend over dat leerproces kunnen denken.” In dit artikel geef ik daar een helder en concreet antwoord op. Omdat ik denk dat ieder mens wil leren als we 5 hardnekkige mythes rondom leren los kunnen en willen laten.

Mythe 1: leren moet gemeten worden in objectieve en controleerbare cijferlijsten

In mijn ogen zegt een punt helemaal niet zoveel over het leerresultaat en de ontwikkeling van een lerend individu. In het cijfermatig meten van leergedrag, wordt namelijk maar met 1 ding rekening gehouden: een vooraf gestelde norm over wanneer het leren gelukt is. In de meeste gevallen is dat als de leerling meer dan de helft van de vooraf gestelde vragen juist weet te reproduceren. Maar wie kijkt er dan nog waar het ook om gaat? Verschil in talent. Verschil tussen jongens en meisjes. Verschil tussen kinderen die een veilige thuisbasis hebben en kinderen die midden in een vechtscheiding zitten. Verschil tussen het rijpproces van het lijf en de hersenen. Verschil in interesses. Door de toetscultuur zijn we in feite een volstrekt onbelangrijk onderdeel van het leren aan het meten met als hoofdopbrengt dat we na het correctiewerk precies weten welke leerlingen de stof – verzonden via het hoofd van de leraar naar het hoofd van de leerling – het beste opgeslagen hebben. We kijken wie van de leerlingen het best in staat zijn om de data in het hoofd naar het proefwerkpapier te copypasten. Tot slot wordt het proefwerkpapier via de hand van de leerling overgedragen naar de hand van de leraar die met zijn hoofd kijkt of wat hij in zijn hoofd had ook door de leerling is opgeschreven. Dat terwijl leren volgens mij zo leuk wordt als je samen op zoek gaat naar nieuwe antwoorden, naar wat er nog niet in de verschillende breinen is. Onderwijs lijkt wel een soort Google zoekmachine, die door de leraar met informatie gevuld is die de leerlingen ook moeten kennen. Enig verschil met Google, is dat leerlingen op school de antwoorden van buiten moeten leren. Sterker nog: het gebruik van Google wordt bestraft, omdat de leraar vrij makkelijk ziet (met dank aan datzelfde Google) of de leerling letterlijke teksten van meneer zoekmachine heeft gebruikt. Het geven van cijfers voor reproductiewerk is volstrekt ineffectief als we leerlingen willen verleiden tot leren. Leren is niet zoveel mogelijk in de leerling stoppen, leren is het succesvolle in ieder individu ontdekken én ontwikkelen. Stel jezelf eens de volgende vragen:
–         Wat van de ooit geleerde informatie is op jouw harde schijf makkelijk traceerbaar en heb je met een druk op de knop weer beschikbaar? Is alles wat je van buiten leerde voor een cijfer nog beschikbaar? Ik vermoed dat er heel veel leerinformatie direct na het toetsmoment door leerlingen gedelete wordt. Het hoofdstuk is klaar. Het cijfer is gezet. Op naar de volgende toets.
–         En stel dat je de informatie makkelijk paraat hebt? Wat van die informatie gebruik je op dit moment in de dingen die je in het dagelijkse leven doet? Ik vermoed dat je de vele reproducties van stukjes informatie niet of nauwelijks gebruikt in je dagelijkse leven.

In onze trainingen en opleidingen werken we al jaren niet meer met cijfers. Ook niet met (eind)toetsen. Wij zijn steeds maar met één hoofdvraag bezig. Gaat elke student vooruit in het leerproces. Iedereen ontwikkelt zich dan op zijn eigen tempo. Wij denken dat het onzin is om te berekenen hoeveel SBU iemand nodig heeft om een einddoel te halen. En denken dat het ook krankzinnig is om de lat voor iedereen op dezelfde hoogte te leggen. Als het begin van elke student al volstrekt anders is, waarom zou je dan uiteindelijk kiezen voor hetzelfde eindniveau. Waarom willen we leerlingen hetzelfde maken in plaats van uit te gaan dat ze allemaal verschillend zijn? Een leerling die tweetalig opgevoed is is bij binnenkomst voor het vak Engels wellicht al op het eindniveau. En een leerling met dyslexie is zelfs met de beste bedoelingen van RT-docenten en andere hulpbronnen niet in staat om dat vooraf gestelde einddoel te halen. Bij ons is de student het uitgangspunt om studievoortgang in de gaten te houden, waardoor elke student op eigen tempo en op eigen leerniveau op zoek gaat naar vooruitgang. Daar is geen meetlat voor. Want het cijfer 8 voor een eindtoets heeft voor verschillende leerlingen een andere betekenis. Voor de tweetalig opgevoede wellicht wat laag, voor de dyslectische leerling een wonder. Wat is er dan nog objectief aan die toets?

Mythe 2: leren is een proces van zender en ontvanger

Ik sprak later op de dag in de wandelgangen een van de studenten die verzuchtte dat het eindelijk voorbij was. Ik vroeg wat de studie nu zo zwaar maakte. Ik kreeg als antwoord: “De hele dag luisteren is vermoeiend hoor.” En ja, datzelfde zeggen mijn kinderen na een dag middelbare school. Dat ze de hele dag naar zeven verschillende mensen moeten luisteren die allemaal hele belangrijke dingen te vertellen hebben. Probeer je eens in te denken hoe dat is. De hele dag luisteren en informatie ontvangen via de stem van de leraar en de slites van de powerpointpresentatie. Dat is vermoeiend. Zo niet, onmogelijk! Bovendien behoorlijk ineffectief. Ons brein is niet ontworpen om van buiten naar binnen vol informatie gestopt te worden. Ons brein is gemaakt om zelf na te denken over de wereld om ons heen. We zouden in het onderwijs dus maar beter stoppen met het alleen maar zenden van informatie. We moeten werken aan de autonomie van leerlingen. Het vermogen tot nadenken, reflecteren en organiseren. Denk je nu: ja maar dat kunnen ze niet? Ga dan terug naar mythe 1. Want ze kunnen het namelijk wel. Alleen niet allemaal op dezelfde manier en ook niet allemaal op hetzelfde tempo. Als kunnen afgemeten wordt aan een vooraf gestelde eindnorm, wordt het kunnen van leerlingen gesloopt. Je bent immers pas goed genoeg als je dat doet, wat anderen bedenken dat goed is voor je. Als je lerende mensen echter volstrekt serieus neemt in hun kunnen, dan ontstaat vanzelf motivatie. Want mensen die merken dat leraren vertrouwen in ze hebben, worden actief en betrokken. Hoe dat werkt is eenvoudig uit te leggen met de metafoor van een weegschaal. Leren is succesvol als de weegschaal in balans is. En dat kan alleen als je niet alleen gewicht ontvangt van de zendende leraar, maar zelf ook gewicht op de schaal mag zetten. Je krijgt dan dus een actieve rol in het leerproces en jouw activiteit is de activiteit die het beste bij je past. We hebben mensen nodig die vragen durven stellen, maar ook mensen die out of the box durven denken over die vragen. En we moeten niet alleen met de leraar praten over de leerstof, ook onderling moeten we van gedachten wisselen. Leren is dan niet langer de Googlemachine met een Programma van Toetsing en Afsluiting. Nee leren wordt dan een platform waarbij iedereen betrokken wordt in het ontwikkelen van kennis en vaardigheden.

In onze trainingen en opleidingen hanteren we het principe dat een succesvolle lesdag voor maximaal 1/3 deel uit theorie en kennisuitwisseling bestaat. De rest zijn we aan het doen. Studenten maken werkhyptoheses, oefenen een gesprek, denken na over wat je met de theorie kunt doen als je de volgende werkdag op school komt, checken samen het proces bij zichzelf en leren dus steeds door alles te koppelen aan de persoonlijke en professionele ontwikkeling van henzelf. Leren is dan een open route waarbij elke opleidingsdag weer ruimte is om nieuwe paden te bewandelen, ruimte is om zelf te beslissen of dat nieuwe pad werkt (of niet) en ook ruimte is om zelf te besluiten dat de zelf gekozen route nog niet de juiste is. De leraar stelt dan de kennis beschikbaar waar de leerling om vraagt. Daarvoor is het nodig dat je als leraar durft te vertrouwen op hoe fouten de bedoeling zijn in plaats van een probleem. Struikelend leren noem ik dat.

Mythe 3: leren doe je het beste in de busopstelling

Ik verbaas me er over hoeveel klaslokalen nog exact zijn ingericht zoals dat 50 jaar geleden ook het geval was. De busopstelling werkte toen wellicht nog omdat we niet leerden vanuit autonomie, maar vanuit een hiërarchisch model waarin je werd klaargestoomd voor de arbeidsmarkt. Je stapte in de bus en het enige waar je invloed op had was je plaats in de bus. Ging je op de eerste dag ver achterin zitten, dan wist je dat je door een interventie van de chauffeur gemaand werd om voorin te gaan zitten. En zat je halverwege dan wist je dat je die plek alleen behield als je je gedroeg naar de normen die de meester had opgesteld. Gelukkig heeft de wereld zich ontwikkeld en vinden we met elkaar dat kinderen ook rechten hebben, een mening mogen hebben en in de opvoeding leren dat je het oneens mag zijn met een ander als je dat maar in verbondenheid doet. Als dat onze nieuwe norm is, die past bij de ontwikkelingen die we in het westen hebben doorgemaakt, dan is het toch op zijn minst te noemen vreemd dat de busopstelling nog steeds als een verstandige indeling van een klaslokaal gezien wordt. In feite sluit dit dan ook weer aan bij mythe 2. Door de busopstelling maken we systemisch zichtbaar dat er twee posities zijn in de klas. Degene die het hoofd richt naar de ontvangers (de leraar) en degene die het hoofd richt naar de zender (de leerlingen). Ik denk dat leren veel succesvoller wordt als we het hoofd richten naar elkaar. In een carré opstelling bijvoorbeeld kan iedereen contact maken met iedereen en kan iedereen dus ook zender zijn. Natuurlijk is het soms best handig om even te werken met een zender die naar de ontvangers zijn expertise komt brengen, maar als dat de indeling van de hele dag is, raak je mensen kwijt, zelfs als de zender de meest boeiende verteller ter wereld is, dan nog houd je het niet vol om zes, zeven of zelfs acht uur alleen maar ontvanger te blijven. Bedenk eens voor jezelf hoe lang jij het maximaal volhoudt om naar uitleg te luisteren? Haal je de zestig minuten?

In onze trainingen en opleidingen werken we met een open leerruimte met een open kring. Daardoor is iedereen met iedereen in contact. Omdat we vanaf dag 1 ook uitstralen dat we groot voorstander zijn van zelfafbakening (je mag nee zeggen) en zelfvalidatie (je mag voor jezelf opkomen), ontstaat een veilig leerklimaat. We doen het met zijn allen, iedereen is belangrijk en de posities in het lokaal zijn rechtvaardig omdat iedereen op de eerste rij zit. Overigens hoort hier bij dat de nieuwe minister van onderwijs een einde moet maken aan de volle klaslokalen. Wat mij betreft is 24 het maximale aantal leerlingen in een klas waarin je de busopstelling definitief overboord wilt gooien.

Mythe 4: leren hoeft niet altijd leuk te zijn

Met grote verbazing las ik de plannen van de nieuwe regering. Er was een duidelijk statement: kinderen moeten weer meer van hun cultuur weten. Het Wilhelmus en het Rijks, dat zijn de twee elementen die als een proefballonnetje uiterst serieus in het regeerakkoord opgenomen zijn. Het is te belangrijk om vrijwillig om te gaan met ons erfgoed. Ik snap dat er een reden is voor zorg, maar snap werkelijk niet dat we nog steeds denken dat je leergedrag kunt opleggen. Dat er nog steeds massaal gedacht wordt dat de grote mensen kunnen bepalen wat goed is voor leerlingen. Mijn uitgangspunt is dat je in eerste instantie niet moet investeren in de leerstof, maar in de relatie. Leerbereidheid ontstaat pas als er een verbinding is tussen mensen. Dirk DeWachter zegt dat mooi in zijn boek ‘Liefde’: een leerling die om wat voor reden ook niet tot leren komt, is niet op zoek naar lessen in leren. Deze kinderen hebben vooral behoefte om geliefd te worden, zelfs als het even niet lukt. Investeer dus in de relatie als je wilt dat de ander interesse krijgt in jouw weten. Leren moet dus wel leuk zijn en dan niet leuk in de betekenis alleen van om te lachen of om het gezellige, maar leuk in de betekenis: het is leuk om op die leerplek te zijn. En leuk wordt het niet door de lesstof zelf, maar door het gevoel dat je als leraar aan elk kind kunt en volgens mij zelfs moet geven: jij hoort erbij en jij bent ook belangrijk voor mijn zoektocht naar een leuke lesdag. Leuk is dus geen videootje, hoewel dat ook leuk kan zijn, leuk is gezien worden en van betekenis mogen zijn. Leren kan dus pas belangrijk zijn als je een leuke leeromgeving hebt gecreëerd. Een zin als ‘later zul je wel begrijpen waarom dit belangrijk is’, is een aanslag op de leerbereidheid van leerlingen. Later begint namelijk vandaag en als je het vandaag niet kunt uitleggen, dan heb je zelf niet goed genoeg nagedacht over wat je denkt dat je met later bedoelt.

In onze trainingen en opleidingen zetten we vanaf de eerste minuut in op het creëren van een positief groepsklimaat, omdat er in positieve groepen meer wordt geleerd. Soms betekent dat dat studenten op een lesdag meer bezig zijn met elkaars bijzonderheden dan met de bijzonderheid van de leerstof. Onze overtuiging is dat je soms op de leerrem moet trappen, omdat er andere dynamieken even voorrang hebben. We ervaren elke keer weer, dat een remmende interventie op een later moment beloond wordt met een fikse druk op het gaspedaal. We doen er alles aan om de studenten zelf te laten ervaren dat de leerstof belangrijk is, onder andere door later te vervangen door morgen en ook door dat niet stellenderwijs maar vragenderwijs te doen. Dus niet: morgen zul je zien dat dit werkt. Wij kiezen voor: wat denk je dat je hier mee kunt als je morgen op school bent?

Mythe 5: thuis is thuis, school is school

Ik hoor het nog steeds regelmatig. Ik heb helemaal niks met thuis te maken, de leerlingen zijn toch op school? Hoewel het een logische uitspraak lijkt, is het een hardnekkige mythe die niet helpt om leerlingen te laten leren. Dat komt omdat mensen mimetische wezens zijn (ze doen de wereld na) en als wezen in meerdere systemen beïnvloed worden. Jouw leerlingen of studenten zijn in je lokaal dus niet alleen leerling of student, ze zijn ook kind, kleinkind, collega, ploeggenoot en nog veel meer. In al die systemen krijgen ze informatie over de leerwereld. En helaas voor ons: die informatie is niet altijd goed op elkaar afgestemd. De leerling die thuis leert dat leren een kwestie is van zoveel mogelijk theoretische kennis vergaren die voor zoveel mogelijk diploma’s en getuigschriften zorgen, zal anders de ruimte in stappen dan een leerling die van huis uit meekrijgt: leer maar op de manier die bij jou past. Je hebt dus te maken met leerlingen die meer zijn dan alleen jouw ‘klant’. Leerbereidheid ontstaat als je daar oog voor hebt. Dat je de ander niet alleen aanspreekt als de lerende leerling, maar ook contact met hem hebt over wie hij nog meer is. Wij zeggen vaak: een leerling leert pas echt als wat hij doet goed is in de ogen van anderen én van zichzelf. Als dat je kijk wordt, dan kun je nooit meer zeggen: hij is ongemotiveerd voor mijn les. Je gaat dan denken: wat zou er in andere systemen voor invloed geweest zijn op deze leerling waardoor het niet gaat zoals we samen zouden willen? De leraar die mythe 5 van zich afschudt, heeft bij een mogelijke leerbelemmering niet als eerste vraag ‘wat zegt dat over die leerling’, hij onderzoekt juist bij zichzelf hoe hij beïnvloed is in andere systemen dan de school waar geleerd wordt. Leren kan dus alleen als we de leerling in het grootst mogelijke systemische perspectief ontmoeten.

In onze trainingen en opleidingen maken we vanaf de eerste minuut duidelijk, dat het van groot belang is dat je je eigen gezin van herkomst uitzuivert om zuiver in contact te staan met andere mensen. Met uitzuiveren bedoelen we niet het repareren van de geschiedenis. We bedoelen vooral het voortdurend nieuwsgierig zijn waarom we doen wat we doen. Hoe komt het dat bij een geval van pesten de ene leraar zegt: ach, daar worden ze sterk van. En de ander alles op alles zet om de pester fors te straffen. Gaat dat over het pesten in het hier en nu? Of is het verleden van invloed op hoe we nu naar pesten kijken.
Wat nu echt interessant is, is wat er na het lezen van deze vijf mythes bij jou gebeurt. De kans is groot dat er een stemmetje uit het verleden advies geeft omtrent jouw reactie op dit artikel. Ik noem een paar mogelijke reacties:
–         Mooi verhaal, maar kansloos om dat ook echt te doen
–         Eindelijk iemand die eens zegt waar het op staat. Jammer dat het in de praktijk niet lukt
–         Tsja, en wat zegt de inspectie hier van?
–         Ik wil wel, maar weet niet hoe.

Zulke gedachtes zijn verklaarbaar, want veranderen is moeilijk en vraagt niet alleen om inzet, maar betekent ook verlies van wat je nu hebt. Veranderen is risicovol. En toch is het ons gelukt om ervoor te zorgen dat studenten na dertig dagen zeggen: het waren dertig fantastische dagen. Ging dat vanzelf? Nee, ook wij hebben te maken met een ministerie dat ons als instituut bijvoorbeeld het lerarenregister oplegt en ons vraagt om dingen te doen waar we niet achter willen en kunnen staan. In een boek van Mathieu Weggeman las ik de term meestribbelen. Dat is wat we doen. Meestribbelen, meedoen waar het voor ons haalbaar is. Het idee geven dat we contructief meebewegen. Maar naast het meestribbelen zijn we soms ook wat eigenwijs. We lieten de status tot masteropleiding aan ons voorbij gaan, wetende dat onze studenten geen lerarenbeurs meer kunnen aanvragen voor onze opleiding. Maar ook wetende dat we de bovenstaande vijf mythes naast ons neer konden leggen. En wetende dat onze studenten in de lift van Regardz elke keer weer praten over hoe leuk leren eigenlijk is. Want dat wil ik tot slot zeggen: ieder mens vindt leren leuk. Er is geen kind dat gaat kruipen, omdat de ouders dat belangrijk vinden. Het kind doet het vooral omdat het ontdekt dat het vanuit eigen kunnen de wereld mag ontdekken. En soms ziet kruipen er dan anders uit. Want het kan op handen en voeten, maar zelf deed ik het met billen en handen. Dat was voor mij de snelste route op weg naar mijn doel: de wereld elke dag een stukje groter zien worden. Een wereld waar je leraren hebt die je helpen op steeds meer plekken te kijken, zonder dat ze je opleggen wat ze vinden dat je op die plekken moet gaan zien.

Ivo Mijland
29-10-2017

Ivo Mijland

Auteur Ivo Mijland

Ivo Mijland (Oss, 1969) is auteur van een groot aantal boeken, waaronder ‘Ik ben toch té gek’ en ‘Step your mind’. Hij schrijft en spreekt over Passend Onderwijs. Hij komt op voor de (onderwijs)rechten van alle kinderen.

Meer artikelen van Ivo Mijland